Pippi

Ochtendspits. Ik loop over de stoep, met mijn fiets aan de hand, mijn blik gericht op de tegels van het fietspad. De fietsers die mij tegemoet komen kijken vluchtig naar mijn fiets, op zoek naar een lekke band of een triest hangende ketting. Maar met mijn fiets is alles in orde.
Net fietste ik hier nog, in dezelfde richting als de fietsers, met mijn zoon achterop. En in de veronderstelling dat hij zijn knuffel nog stevig in zijn handen had.

Bij aankomst bij het kinderdagverblijf bleek dat laatste niet te kloppen.
“Mijn Pippi!” piepte hij.
“Mads… je hebt hem toch niet laten vallen?”
“Wel!”
“Ja hoor! Dat konden we er nog wel bij hebben.”
Kinderen en haast zijn een ongelukkige combinatie. Haast en woede ook.

Nu loop ik hier. Ik heb Mads achtergelaten bij het kinderdagverblijf. Ik moest hem beloven dat ik zijn knuffel zou zoeken. Nee – zou vínden. Speciaal voor hem. Toen bedaarde hij en uiteindelijk werd ik daar zelf ook weer wat rustiger van. Met mijn woede verdween ook mijn haast.

Hoe groot is de kans dat ik een knuffel over het hoofd zie? Dat hij onder de herfstbladeren geschoven is? Dat ik er al voorbij ben? Het enige dat ik weet is, dat hij érgens ligt. Alleen. Vuil, waarschijnlijk. Zijn slappe, witte lijfje onder de bandensporen.
Ik zou nu, vol pathos, kunnen denken aan ouders van verdwenen kinderen, aan dwaze moeders. Maar ik denk alleen maar aan de tranen van mijn eigen zoon, aan het beeld van een eenzame knuffel en aan hoe dat contrasteert met hoe Mads vanochtend wakker werd, duimend, Pippi lekker warm tegen zich aangedrukt.

Ik nader een rotonde. Op de stoep staat een borstelwagen. De chauffeur leunt op zijn stuur. Zijn compagnon houdt een bladblazer in de aanslag, maar doet er gelukkig nog niets mee.
Om er omheen te kunnen moet ik eerst wachten op een stroom fietsers, die als een boze zwerm over het fietspad jaagt. Een meisje van een jaar of dertien wijkt iets te ruim uit voor de wagen. Het driftige geluid van een fietsbel. De verontwaardigde blik van een man in pak.
“Ieder voor zich en God voor ons Allah,” roept de man met de bladblazer, met een gefingeerd Turks accent. Ik kijk naar zijn gele hesje en dan weer naar de stoeptegels. Ik zie nog steeds geen knuffel. Alleen maar fietsbanden.

Op de rotonde ligt iets wits, maar als ik dichterbij kom blijkt het een plastic zakje te zijn. Als ik het eerstvolgende kruispunt nader zie ik weer iets liggen, op de weg, in de buurt van waar we die ochtend voor het stoplicht hebben gestaan. En waar ik bijna ruzie had met een voorbijrazende fietser.
Hoe dichterbij ik kom, hoe meer ik er van overtuigd raak dat het Pippi is. Hij ligt daar precies zoals ik het me voorstelde. Auto’s en fietsen rijden rakelings lang hem heen. Ik lijk de enige te zijn die hem ziet. Niet meer ergens, maar dáár.

Mijn hartslag gaat omhoog en mijn bloed gaat sneller stromen. Het laatste wat ik nu moet doen is als een kind achter een bal aan de straat op rennen. Nee, het moeilijkste zit erop. Het is weer duidelijk wat ik doen moet. En dat begint met: wachten.

Wachten tot het juiste stoplicht op groen staat en, vooral, het andere op rood. Rustig toezien hoe een vrachtwagen met zijn volle gewicht over Pippi heenrijdt. Hoe elk wiel hem een klein beetje verplaatst. Hoe hij daardoor in een plas terechtkomt.
Weten dat een knuffel tegen een stootje kan. En dat er thuis een wasmachine staat.
En bovenal: me vast verheugen op vanavond. Me verheugen op het moment, dat ik aan Mads kan vertellen, dat ik Pippi gezocht heb. En dat ik hem gevonden heb. Speciaal voor hem.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s